Verdiepende vragen
In welke situaties heb je ervaring opgedaan met taken, samenwerken of verantwoordelijkheid? *
Opleiding. Stage.
Bijbaan. Vrijwilligerswerk.
Vereniging. Sport.
Eigen project of initiatief. Verantwoordelijkheid thuis.
Nog nauwelijks.
A2. Beschrijf een taak of activiteit die goed ging en waarover je tevreden was. Wat was het doel, wat deed jij, wat ging goed, wat was het resultaat en wat vond je prettig? *
Welke rol neem je meestal op je wanneer je met anderen samenwerkt? *
Ik neem initiatief. Ik organiseer of houd overzicht.
Ik breng ideeën in. Ik luister en verbind.
Ik voer zorgvuldig uit. Ik help anderen.
Ik bewaak kwaliteit of afspraken. Mijn rol verschilt sterk per situatie.
Ik weet dit nog niet.
Geef een voorbeeld waarin deze rol zichtbaar was. *
Wat doe je meestal wanneer je aan een nieuwe of onduidelijke taak begint? *
Ik begin en ontdek gaandeweg wat nodig is.
Ik vraag eerst uitleg of voorbeelden.
Ik maak eerst een plan.
Ik zoek informatie.
Ik overleg met anderen.
Ik probeer verschillende mogelijkheden uit.
Ik stel het soms uit omdat ik niet weet waar ik moet beginnen.
Geef hiervan een voorbeeld. *
A5. Beschrijf een situatie waarin je zelf verantwoordelijkheid hebt genomen. Wat was nodig, wat besloot of deed je, wat was het gevolg en wat leerde je? *
A6. Waarvoor vragen anderen jou om hulp of advies, en welke feedback krijg je hierover? *
A7. Onder welke omstandigheden functioneer je goed en welke omstandigheden kosten veel energie? *
Hoe heb je mogelijke loopbaanrichtingen tot nu toe onderzocht? *
Gesprekken gevoerd. Informatie over opleidingen gezocht.
Vacatures bekeken. Een stage of meeloopmoment gedaan.
Een cursus of activiteit geprobeerd. Met bekenden over hun werk gesproken.
Nog nauwelijks onderzocht.
Welke eerste stap zou je nu kunnen zetten? *
B1. Welke functies, stages of rollen vormen de belangrijkste basis voor je loopbaanoriëntatie? *
B2. Bij welke werkzaamheden functioneerde je volgens jezelf het beste? Beschrijf de opgave, je rol, je handelen, het resultaat en wat dit werk passend maakte. *
B3. Welke werkzaamheden pasten minder goed? Lag dit aan taak, rol, omgeving, leiding, samenwerking of iets anders? Hoe reageerde je en wat was het effect? *
B4. Welke rol neem je meestal op wanneer je met anderen werkt? Geef een concreet voorbeeld. *
B5. Welke positieve feedback en welk aandachtspunt hoor je vaker? Van wie kwam deze feedback en herken je haar zelf? *
B6. Onder welke omstandigheden functioneer je het beste? Beschrijf leiding, vrijheid of structuur, samenwerking, tempo en belemmeringen. *
B7. Wat wil je in een volgende functie meer doen en wat juist minder? *
B8. Welke richting wil je onderzoeken? Wat spreekt aan, welke ervaring ondersteunt dit, wat ontbreekt nog en waarover twijfel je? *
C1. Welke twee ervaringen zijn het meest relevant voor je huidige loopbaanvraag? Beschrijf per ervaring functie of rol, context, belangrijkste opgave, verantwoordelijkheid en relevantie. *
C2. In welke functie, opdracht of periode kwam je het beste tot je recht? Beschrijf opgave, rol, ruimte, verantwoordelijkheid, context, resultaten en feedback. *
C3. Welke typen vraagstukken of werkzaamheden bleven je over verschillende functies heen aanspreken? *
C4. Welke rollen heb je regelmatig vervuld? Welke rol paste het beste, welke kostte veel energie en in welke context veranderde je rol? *
C5. Welke kwaliteiten hebben in meerdere situaties aantoonbaar bijgedragen aan resultaat? Noem minimaal twee situaties, gedrag, resultaat en feedback. *
C6. Welke patronen herken je in functies of situaties die minder goed pasten? Betrek opgave, rol, mandaat, leiding, samenwerking, tempo, cultuur, structuur en werkdruk. *
C7. Vergelijk twee duidelijk verschillende werkomgevingen. Waar functioneerde je beter, welke verschillen waren bepalend, wat is niet onderhandelbaar en waarin kun je je aanpassen? *
C8. Wat wil je behouden en achterlaten? Welke verandering zoek je, waarom nu, welke richting overweeg je, wat maakt onzeker, welke investering wil je doen en welke stap niet? *